Locatie:Spoorwegcomplex
CBS Typering: Spoorwegcomplex Roosendaal
Bouwjaar: 1904-1907
Architect: G.W. Heukelom
Soort monument: Rijksmonument
Monumentnummer: Diversen
Geplaatst d.d.: .
Kadastrale aanduiding: Roosendaal, sectie ., Nr. .

Typering (korte omschrijving)

Het stationscomplex bestaat uit:

- het lange een- en tweelaagse stationsgebouw en de bijbehorende perrons met overkappingen en onderdoorgang,

- een locomotievenloods,

- een seinhuis met bijbehorende seinenbrug en seinpalen,

- een fietsenstalling,

- de randbebouwing met beeldengroepen aan de oostzijde van het stationsplein,

- enkele dienstwoningen en een diensgebouwtje,

- een douaneloods,

- het sporenplan.

Historische omschrijving

Het stationsgebouw en de bijbehorende perrons werden van 1904 tot 1907 op de huidige plaats gebouwd, schuin tegenover de reeds aangelegde Brugstraat. Ze dienden het oude station, dat in 1853 tegenover de Vughtstraat gebouwd was, te vervangen. Na gereedkomen van het nieuwe stationscomplex werd het oude station gesloopt.

Het hele spoorwegcomplex is ontworpen als een groot grensstation en heeft daardoor vele specialistische voorzieningen voor personen- en goederenverkeer die het tot een zeer uitzonderlijk station maken.

Het stationsgebouw is ontworpen door de architecten Dr.Ir. G.W. van Heukelom en Ir. D.E.C. Knuttel. Van Heukelom maakte, als architect in dienst van de Spoorwegen, de voorlopige plattegrondtekeningen voor het hoofdgebouw; Knuttel, destijds "Rijksbouwmeester voor de landsgebouwen", maakte de gevelont

werpen. Van Heukelom ontwierp ook een aantal bijgebouwen zoals locomotievenloodsen, seinhuizen, dienstgebouwtjes en opzichterswoningen.

Destijds maakte ook een groot stationspostkantoor, gelegen aan de Stationsstraat deel uit van het complex, het stationspostkantoor is in 1983-1984 gesloopt.

In de Tweede Wereldoorlog werd het station vele malen gebombardeerd, daarbij is onder meer de hoge middenpartij met entree en het aansluitende rechtergedeelte verwoest. Een gedeelte is later hersteld, een ander gedeelte werd gesloopt en is, in andere vorm, herbouwd.

In de loop van de tijd zijn, als gevolg van bedrijfsaanpassingen, diverse gebouwen gesloopt, o.a. seinhuizen, locomotievenloodsen e.a., ook zijn ingrijpende wijzigingen aangebracht in het sporenplan.

Als herstel van de oorlogsschade werd in 1948-49 door architect Ir. S. van Ravesteyn aan het Stationsplein een nieuwe ingangshal gebouwd, hierin werden kantoren, dienstruimten en de loketten voor kaartverkoop ondergebracht.

Uit dezelfde tijd dateert de herinrichting en invulling van de oostelijke wand van het stationsplein door dezelfde architect, hij werkte bij deze opdracht samen met de beeldhouwer Jo Uiterwaal.

Op het Stationsplein werd ter gelegenheid van het feit, dat Roosendaal in 1954 100 jaar spoorstad was, een fontein geplaatst.

De spoorwegen en het station zijn van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de stad. Roosendaal kreeg vooral bekendheid door zijn grensstation en werd daarom ook wel "Spoorstad" genoemd.

STATIONSPLEIN 1

HET STATIONSGEBOUW

Typering

Het stationsgebouw uit 1907 is een tweelaags gebouw op een langgerekte, grotendeels rechthoekige plattegrond, enkele gedeelten zijn symmetrisch van opzet. De nokken van de daken zijn evenwijdig aan de pleinwand.

Het centrale deel van het oorspronkelijke hoofdgebouw telt zeven traveeën en wel een middenrisaliet met links en rechts daarvan een gedeelte van drie traveeën, dit centrale gedeelte wordt door een brandmuur bij het dak gescheiden van een evenhoog gedeelte met een eenlaagse voorbouw onder lessenaardak, links daarvan.

Verder links, aansluitend hierop, een eenlaags risalerend deel van drie bredere traveeën met een hoge lichtkap boven het schuine dak; dit deel is uitgebreid met een eenlaags deel onder plat dak.

Rechts van het hoofdgebouw het eenlaagse stationsgedeelte met zadeldak uit 1949, aansluitend een lager gedeelte uit dezelfde tijd, tenslotte een eenlaags deel en een breed tweelaags deel onder platdak met schilden uit 1907.

De functies van de diverse ruimten in het station zijn in de loop van de tijd veranderd. Het Roosendaalse grensstation had o.a. specifieke ruimten, benodigd voor visitatie van personen en goederen, deze douanefunctie is inmiddels vervallen.

Omschrijving van het exterieur van het oudste deel van het station.

De gevels zijn gemetseld van roodbruine, machinaal gevormde baksteen. De risalerende plint is tot de onderkant van de vensters bekleed met brede afgeschuinde platen graniet. In de gevels zijn speklagen en hoekblokken van zandsteen verwerkt.

De vensterassen zijn zowel op de begane grond als de verdieping driedelig en worden gescheiden door smalle bakstenen muurdammen.

Boven de grote eenruits benedenramen met negenruits bovenlichten is er op de verdieping een eveneens driedelig halfboogvenster met roedeverdeling als in de bovenlichten van de begane grondramen.

Over elke driedelige vensteras één segmentboog met zandstenen aanzetblokken en tussenblokken.

Tussen de segmentbogen van de benedenramen en de onderdorpels van de ramen op de verdieping zijn veelkleurige sectietegeltableaux aangebracht, totaal 21 stuks (drie stuks op elk van de zeven vensterassen). Op het middentableau steeds de afbeelding van een wereldbol waarop enkele continenten staan afgebeeld, op de zijtableaux het wapenschild van een land met op een banderolle de naam van het land.

Van links naar rechts de wapenschilden van: Griekenland, Turkije, Rusland, Oostenrijk, Zwitserland, Italië, Spanje, Portugal, Engeland, Denemarken, Zweden en Noorwegen.

De centrale vensteras van dit bouwdeel is risalerend en eindigt in een tuitgevel. In het topgevelgedeelte een verhoogd rondboogvenster met een roedeverdeling als bij de verdiepingsvensters van de overige vensterassen.

Op de begane grond is de horizontale indeling van de vensterassen voortgezet in het centrale gedeelte, ter hoogte van de verdieping was de tussenzône oorspronkelijk opgevuld met een raamtype als op de bovenlichten van de begane grond, maar vijftienruits en onder rechte bovendorpel (deze ramen zijn later vervangen door nieuwe klepramen).

De middentravee wordt extra geaccentueerd doordat de vensterpartijen dieper in de rondboog zijn geplaatst, door het siermetselwerk in de speklagen en door de decoraties in de tuitgevel.

Boven het rondboograam in de topgevel een sculptuur met het symbool van de Nederlandse Spoorwegen, een gevleugeld wiel en daarboven een rondraam.

In het dakvlak in elke vensteras een dakkapel onder zadeldak.

De aan de linkerzijde aangebouwde travee onderscheidt zich van het hoofdgedeelte door een uitbouw aan de voorzijde en door bredere driedelige vensters op de verdieping, ook in deze travee in het dakvlak een dakkapel onder zadeldak.

De schilden van de daken zijn gedekt met rode verbeterde Hollandse dakpannen.

In het smalle diepe gebouwgedeelte, uiterst links, is nu een bank gevestigd. De vensters op de begane grond zijn identiek aan de vensters van het hoofdgebouw. Het eerder aanwezige, middelste venster is uitgebroken, hier is nu de toegang tot het bankgedeelte gemaakt, daarom zijn ook een stoep met treden en een luifel aangebracht.

De gootlijst wordt in dit bouwdeel onderbroken door een forse dakkapel met raam, de topgevelbekroning daarvan heeft een cirkelvorm met gestileerd bladmotief.

Het hoge dakvlak wordt afgesloten door een rechthoekige lichtkap met aan de voorzijde vijf halfcirkelvormige ramen met elk zes verticale deelroeden, de zwikken zijn van hout.

De linker zijgevel ter plaatse van het bankgedeelte is voorzien van een rondboogfries met zandstenen consoles en twee kruisvensters, vormgegeven zoals de vensters in de voorgevel. In de eenlaagse aanbouw zes eenvoudige kruisvensters onder een zandstenen latei en een spaarboog.

Het hoge gedeelte van de zijgevel heeft een rondboogfries met zandstenen consoles, in het gevelvlak twee kruisvensters vormgegeven als de vensters in de voorgevel. Ter plaatse van de lichtkap vier halfcircelvormige ramen in het muurwerk. Het dak van de lichtkap is plat.

Interieur

In het hoofdgedeelte is op de begane grond de stationsrestauratie, deze is in 1990 gerenoveerd, enkele oorspronkelijke interieuronderdelen zijn weer aangebracht en de ruimtewerking is hersteld, in de hoge ruimte domineert het gebruik van verblendsteen in de muurvlakken.

Aan de zijde van het Stationsplein zijn nieuwe plafonds aangebracht, de geprofileerde houten stijlen en de gesneden houten consoles zijn echter behouden gebleven.

In de stationsrestauratie, uit de bouwtijd, twee fraaie, grote wandklokken, uitgevoerd in sectietegelwerk.

HET NIEUWE STATIONSGEDEELTE ONTWORPEN DOOR IR. VAN RAVESTEYN

Het stationsgedeelte dat op 16 maart 1949 officieel in gebruik is genomen bestaat uit een eenlaags gebouw, waarvan het eerste gedeelte, direkt aan de straat onder plat dak, het achterliggende gedeelte heeft een met pannen gedekt zadeldak.

De smalle lage hoekgedeelten springen terug; de andere delen risaleren, terwijl de centrale ingangspartij nog verder is uitgebouwd.

De gevels zijn gemetseld in bruine, machinaal gevormde baksteen, de plint is van kalksteen evenals de geprofileerde omlijstingen van de vensters en van de entreepartij.

Voor de ingang een bordes en zes treden.

Direkt boven de toegangsdeuren een rechte betonnen luifel, daarboven een bovenlicht met een klok. Ter plaatse van de dakrand een ver overstekende, geprofileerde lijst van kalksteen.

Rechts en links van de entree brede tweelichtsvensters. Boven elk venster en op de daklijst boven de ingangspartij zijn beelden geplaatst. Deze werken van de beeldhouwer Jo Uiterwaal zijn uitgevoerd in geglazuurde chamotteklei en stellen respectievelijk voor: een vrouwefiguur met een kind en een vrouwefiguur met een hond, een mannefiguur knielend in een korenschoof en in de hand een gevleugeld wiel.

Het vlakke plafond van de ingangshal is gestuct, midden in de hal een dwars geplaatst, gestuct tongewelf, uitgebouwd in de kapruimte van het zadeldak.

In de stationshal zijn de loketten voor plaatskaartenverkoop, de vloer is in patroon belegd met natuurstenen tegels, de wandgedeelten boven de lambri's van kleine mozaïktegeltjes zijn gestucadoord, op de wand aan de perronzijde een klok.

Het tongewelf heeft een kooflijst waarin verlichting is aangebracht.

Aan de perronzijde heeft de ingangshal rondboogramen en een rondbogige dubbele deur, alle ramen zijn metalen ramen, direkt in de muuropeningen geplaatst.

Rechts, naast het openbare deel van het stationsgebouw, een lager eenlaags goederenkantoor van vijftien traveeën, dit sluit weer aan op een nog overgebleven gedeelte van het station uit 1907, zowel in het oudste als in het later gebouwde gedeelte zijn kantoren van de Nederlandse Spoorwegen ondergebracht. Het oudere deel bestaat grotendeels uit een dwarsgeplaatste bouwmassa, die qua hoogte en detaillering overeenkomt met het uiterste linker gedeelte van het complex.

Zowel het een- als het tweelaagse gedeelte uit 1907 heeft nog de oorspronkelijke dakschilden met leien in Maasdekking en een aansluitend plat dak. Aan de straatzijde zijn de vleugeldeuren en vensters hoog geplaatst omdat daar vroeger een hoger gelegen laad- en losgelegenheid in gebruik was.

De vensters zijn grotendeels in de oudbouw nog origineel met een kleine roedenverdeling en natuurstenen dorpels en lateien.

De witgeschilderde gootlijst rust op afwisselend kleine en grote, geprofileerde klosjes. Het eenlaagse bouwdeel heeft centraal een dakkapel met een bakstenen omlijsting en een zadeldak, het tweelaagse deel heeft naast een zelfde dakkapel nog enkele kleinere dakkapellen met een schilddakje waarop een bolpiron.

De zijgevels zijn bij de dakranden afgewerkt met een rondboogfries, in de zijgevels zijn er behalve kruisvensters ook bolkozijnen met een kleine roedenverdeling in het bovenlicht.

Op de hoeken van de rechterzijgevel zijn twee lagere delen aangebouwd, elk onder eigen schilddak met plat dak. Deze aanbouwen fungeerden als traptorens ter ontsluiting van het gebouw en zijn elkaars spiegelbeeld. In beide aanbouwen een paneeldeur die via vier granieten treden te bereiken is. De deuren bevinden zich onder een schuin aflopend luifeldak op bewerkte houten consoles.

De vensters zijn trapsgewijs verspringend geplaatst in een spaarnis met kwartronde bovenzijde.

DE PERRONOVERKAPPINGEN EN DE ONDERDOORGANG

Parallel aan en nog langer dan het stationsgebouw zijn de overkappingen van de perrons. Evenals de haaks op het station gebouwde onderdoorgang en de bijgebouwen op de perrons dateren deze uit 1907 en zijn ze ontworpen door Ir. G.W. van Heukelom.

Twee bijgebouwen op het middenperron echter dateren uit 1949 en zijn ontworpen door Ir. S. van Ravesteyn.

Het middenperron

Het ca. 560 m. lange middenperron heeft een lage overkapping onder flauw hellend zadeldak. Het dak wordt gedragen door geklonken ijzeren vakwerkspanten, geplaatst op een wigvormig steunpunt. Twee van dergelijke spanten rug aan rug geplaatst vormen één spantportaal.

De spantportalen worden gekoppeld door zeven vakwerkliggers, deze fungeren als ondersteuning voor de houten kapconstructie.

De vormgeving van de constructies is functioneel bepaald, de enige decoratie is een klein, kapiteelachtig element aan de kolommen.

De kap zelf is samengesteld uit houten balken met een kraalprofiel en houten beschot.

Op het middenperron staan separaat een perronwachtershuis, een bedrijfskantoor en twee wachtlokalen voor reizigers.
De wachtlokalen zijn gebouwd in 1949, het kantoortje van de rangeerders en het perronwachtershuis dateren uit 1907.

Belangrijk is het bewaard gebleven sectietegeltableau op het wachtlokaal. Het stelt voor: een heuvelachtig gebied met kerktorens en een rivier, de oevers van de rivier worden verbonden door een spoorbrug.

Het belangrijkste gebouw op het middenperron is het perronwachtershuis uit 1907.

Het is bovenop een granieten plint gemetseld van crèmekleurige en okergele verblendsteen. In het metselwerk is een ijzeren geklonken vakwerkconstructie opgenomen.

Het perronwachtershuis staat op het kruispunt van de trappen naar de onderdoorgang, door zijn hogere ligging heeft men door de ramen rondom een goede uitkijk over het perron.

De toegangsdeur bereikt men via vijf granieten treden.

De tunnel/onderdoorgang bereikt men via twee rechte steektrappen van grijs granieten treden, de trappen van de onderdoorgang worden verlicht via een zadelkapvormige lichtkap in de perronoverkapping.

Aan drie zijden staat rond het trapgat een robuust ijzeren hekwerk.

De wandgedeelten bij de trappen en in de tunnel hebben een plint en afgeronde hoekblokken van grijs graniet met daarboven een voorgemetselde muur van crèmekleurige verblendsteen, de vloeren van de tunnel zijn opnieuw betegeld.

Het dak van de onderdoorgang wordt gedragen door een uit breedflensbalken samengestelde liggerconstructie met klinknagelverbindingen.

Bij de opleggingen van de liggerconstructie zijn er consoles aangebracht. Tussen de stalen balken is een plafond aangebracht van troggewelfjes, deze zijn gemetseld van crèmekleurige en okergele verblendsteen in kruispatroon.

Op het perron aan de stationszijde zijn er eveneens twee steektrappen c.a., zoals op het middenperron, de ruimte boven trappen en tussenbordes is hier echter niet overbouwd als bij het middenperron.

Het stationsperron

Ook het perron aan de zijde van het stationsgebouw is voorzien van een overkapping, deze overkapping is langer dan het stationsgebouw.

Het grootste gedeelte van de overkapping is aansluitend op het stationsgebouw en heeft de vorm van een lessenaardak, plaatselijk wordt de overkapping onderbroken door een lichtkap, de overkapping draagt aan de gebouwzijde op smalle, in het muurwerk gemetselde spantbenen en aan de perronzijde op vrijstaande steunpunten in de vorm als op het middenperron.

De portalen ter plaatse van het stationsgebouw zijn lessenaarvormig, ter plaatse van de lichtkap hebben zij een zadelvorm.

Aan de oostzijde, op het einde van het perron, staat een eenlaags kantoor van zeventien vensterassen onder zadeldak, gedekt met opnieuw verbeterde Hollandse dakpannen. De overkapping heeft ter plaatse van dit gebouw de vorm van een smalle luifel zonder pijlers.

De risalerende plint van machinaal gevormde baksteen is afgeschuind. De dorpels en de lateien zijn van zandsteen. De bovenlichten van vensters en deuren en de dakkapellen zijn voorzien van ruiten met een kleine roedenverdeling. De zijgevels hebben tuitvormige uiteinden en kruisvensters op de zolderverdieping.

Het seinhuis en de seinbrug

Ter hoogte van het einde van het middenperron bevindt zich midden op het rangeeremplacement, het enig nog overgebleven seinhuis, dat in 1907 ontworpen is door Ir. G.W. van Heukelom. Hij bedacht ook de inrichting voor de handmatige bediening van de seinpalen, die deels nog aanwezig is.

Het seinhuis met omloop en vrijstaande trapopgang is een tweelaags vrijstaand gebouw van bruine machinaal gevormde baksteen waarop een zadeldak met aan elke zijde twee eindschilden en gedekt met zwarte kruispannen. Enkele terracotta pirons op de nokeinden ontbreken.

Het nabij het maaiveld rechthoekige gebouw heeft een risalerende plint met afgeschuinde zijden, daarboven op de begane grond twee getoogde vensters met een kleine roedenverdeling. De hoeken zijn boven raamhoogte trapsgewijs afgeschuind met toepassing van hardstenen hoekblokken. In de gebouwas een driehoekige trapsgewijze uitbouw, die de aanzet vormt van de daarboven gesitueerde erker.

Boven een fries van siermetselwerk bevinden zich kwartronde zandstenen aanzetstenen, waarop ijzeren consoles, die de galerij dragen die op de verdiepinghoogte rondom het hele gebouw loopt. Het hekwerk op de galerij is nieuw.

Aan de rechterzijde komt men via een paneeldeur in de begane grond-ruimten, een vrijstaande ijzeren trap met dito leuning gaat naar de omloop vanwaar men in de uitkijkpost met bedieningshandels van de seinen kan komen.

Via de rondom geplaatste ramen van het veelhoekige verdiepingsgedeelte heeft men uitzicht over het hele emplacement.

De vensters direct boven de borstwering zijn vernieuwd, maar de vensterzône daarboven heeft nog de oorspronkelijke indeling met gekoppelde negenruits bovenlichten, het metselwerk hier is later bekleed met witgeschilderde planken.

De uitkragende gootlijst wordt gedragen door geprofileerde schoorbalkjes, steunend op gesneden klosjes.

Vlak bij het seinhuis staat nog een authentieke seinbrug met armseinen en een aantal vrijstaande seinpalen. Deze merendeels nog handbedienbare installaties zullen nog apart worden beschreven.

DE LOCOMOTIEVENLOODS / HERSTELWERKPLAATS

Typering

Een, achter op het emplacement nabij de Bosstraat gelegen, grote rechthoekige locomotievenloods met aangebouwde werkplaats. De locomotievenloods heeft enorme stalen driescharnierspantconstructies.

De kap heeft in het nokgedeelte een flauw hellend zadeldak, het overige gedeelte heeft lessenaardaken met dezelfde helling. De werkplaats is gedekt met een plat dak met daarop vier kleine, dwarsgeplaatste, driehoekige glazen lichtkappen.

Historische omschrijving

De locomotievenloods was onderdeel van een reeks gebouwen, die in 1907 in gebruik zijn genomen, in de loop van de tijd is er vrijwel niets aan gewijzigd. In 1931 is de loods uitgebreid met een aanbouw waarin kantoren en dienstruimten zijn ondergebracht.

Behalve de locomotievenloods stonden op het rangeerterrein nog enkele grote, eveneens door Ir. G.W. van Heukelom ontworpen gebouwen: nog een rechthoekige loods, een polygonale locomotievenloods met een grote draaischijf en een tractiegebouw.

De rechthoekige loods die nog gebouwd is voor de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij is in de Tweede Wereldoorlog vernield.

Met het verdwijnen van de stoomtractie waren de polygonale locomotievenloods en het tractiegebouw overbodig en werden ze gesloopt.

De bestaande locomotievenloods met werkplaats is in gebruik als reparatiewerkplaats voor oud materieel van de Nederlandse Spoorwegen.

Omschrijving exterieur

De rechthoekige locomotievenloods is 60 m. lang, 35 m. breed en heeft een hoogte van 16 m.

De gevels zijn opgebouwd uit groen geschilderde, stalen vakwerkconstrucstructies met vulwanden van roodbruine baksteen, maar vooral veel grote metalen raampartijen. De overvloedige lichttoetreding en openheid is kenmerkend voor dit gebouw.

Aan de zuidzijde van de locomotievenloods is een werkplaats aangebouwd met een oppervlak van 85 bij 25 meter. Ook hierbij bestaat de constructieve opbouw uit een staalskelet met daarin vulwanden van roodbruine baksteen, de ook aanwezige raampartijen zijn echter veel kleiner.

De voor- en achtergevel zijn zeer sober gehouden. Het muuroppervlak wordt doorbroken door een grote poort zoals boven beschreven en vensters van rechthoekig of vierkant formaat, de vensters hebben een roedenverdeling. Evenals de poort zijn de vensters geplaatst in het patroon van het vakwerk.

De zijgevel, aan de zijde van het emplacement, wordt door de stalen vakwerken onderverdeeld in negen vakken met in elk vak twee boogvensters. De vakwerken zijn geklonken en hebben plaatselijk gemetselde wandvullingen.

Op de begane grond zijn de rechthoekige ondergedeelten van de vensters voorzien van een roedenverdeling, in de vensterpartij is een smalle stalen balk verwerkt, deze balk is de scheiding naar het booggedeelte van de vensters, ook deze gedeelten hebben een kleine roedenverdeling.

In vormgeving komen de vensters overeen met de boogvensters van het oude stationsgebouw. Het stalen vakwerk heeft een decoratief-constructief patroon waarin de vensters in voor- en achtergevel zijn opgenomen.

Omschrijving interieur

De ruimte van de locomotievenloods wordt in de breedte in één keer overspannen door gebogen knievakwerkspanten.

Door de getrapte opbouw van het dak, de vele dakramen en de glasramen in de gevels is er uitzonderlijk veel lichttoetreding.

De constructie van de kopgevels is versterkt door het plaatsen van schuin toelopende vakwerkspanten bij de poorten en door een smalle galerij te construeren daar waar de muurvlakken overgaan in de glazen gevelgedeelten.

Spoorrails lopen door de gehele loods. Plaatselijk zijn er tussen de rails smeerkuilen.

DE FIETSENSTALLING C.A.

De noordoostelijke pleinwand is in 1948-1949 heringericht door Ir. S. van Ravesteyn. Het ontwerp omvatte: een hoge bakstenen muur die onderbroken is voor een poort naar het Van Gend & Looscomplex, een herdenkingspiloon, een fietsenstalling, een zitbank met klein plantsoen en een toren. (In het oorspronkelijke ontwerp was ter plaatse van het plantsoen een café-restaurant gepland.)

Direct naast het station staat een bakstenen piloon met daarop een sculptuur van Jo Uiterwaal, voorstellend: een mannefiguur met een toors in de hand, zittend in een korenschoof. Het herdenkteken is zoals een plaquette vermeldt geplaatst als herinnering aan de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog.

Op korte afstand van het station aan de noord-oost zijde van het Stationsplein een muur met als afsluitend element de fietsenstalling, met een haaks op de voorgevel geplaatst zadeldak. De stallingsruimte heeft houten vleugeldeuren in een rondboogportaal met sierstenen omlijsting en een sluitsteen, in de topgevel een ruitvormig zolderraampje en ter plaatse van de nok een bekroning met sierkogel.

Het vlakken van de muur worden regelmatig onderbroken door ruitvormige en halfronde openingen en spaarnissen met sierblokjes op de hoeken, de bovenzijde van de muur naast de fietsenstalling is afgedekt met geprofileerde afdekplaten van natuursteen.

In de muur een hoger opgaande, getoogde poort met een geprofileerde natuurstenen afdeklijst waarop een beeldengroep evenals van Jo Uiterwaal, voorstellende een staande mannefiguur geflankeerd door twee knielende vrouwen.

Rechts van de muur met poort een klein plantsoen of prieel waarvoor een later geplaatste, ijzeren boog (voor begroeiïng met rozen) als toegang dient.

Het prieel en daarmee de eigenlijke pleinwand wordt geflankeerd door een forse bakstenen toren onder zadeldak. Aan drie zijden van de toren zijn beelden, ook van Jo Uiterwaal, aangebracht, naast de toren nog een deel van de muur met een poort.

De beelden stellen voor drie vrouwefiguren, één met kind, één met een paardje en een gevleugeld N.S.-wiel in de hand en één met de hand op een groot staand N.S.-wiel.

Achter de toren staat een eenlaags dienstgebouwtje onder plat dak.

In het midden van het plein een fontein. Het fonteinbekken en overige onderdelen zijn uitgevoerd in diverse zachte kleuren beton.

De fontein wordt grotendeels aan het oog onttrokken door het omringende plantsoen. De fontein werd in 1954 door de N.S. aan de gemeente geschonken omdat Roosendaal 100 jaar Spoorstad was.

DIENSTWONINGEN, NABIJ DE SPOORSTRAAT

Typering

Een dubbel eenlaags woonhuis van tweemaal drie traveeën met zadeldak en eindschilden gedekt met kruispannen en een lage aanbouw onder plat dak. De huizen liggen aan een enigszins verhoogde weg die evenwijdig aan de Spoorstraat op het terrein van de Spoorwegen is aangelegd.

Historische omschrijving

De dubbele dienstwoning is ontworpen door Ir. G.W. van Heukelom en gebouwd in 1910. Er is vrijwel niets aan veranderd.

Omschrijving exterieur

Het huis is opgetrokken uit machinaal gevormde baksteen. Boven de paneeldeuren houten luifels met daarboven bovenlichten met zijraampjes die met roeden zijn ingedeeld.

De dubbele vensters hebben een twaalfruits bovenlicht.

De houten gootlijst rust op geprofileerde smalle klosjes, dergelijke klosjes zijn ook aangebracht bij het platte dak op de dakkapel.

DIENSTWONING, BOSSTRAAT 28

Typering

Een eenlaagse, vrijstaande dienstwoning met kamers in de kapverdieping, gedeeltelijk onderkelderd en onder een schilddak met wolfseinden, gedekt met kruispannen, aan de straatzijde een uitgebouwd gedeelte waarboven het doorgetrokken schilddak.

Rondom het woonhuis een aangelegde tuin, die direkt grenst aan de spoorbanen.

Historische omschrijving

Het ruime woonhuis is in 1907 ontworpen door architect van Heukelom als dienstwoning voor de chef van de nabijgelegen herstelwerkplaats voor locomotieven, er zijn bijna geen wijzigingen aangebracht.

Omschrijving exterieur

Het huis is opgetrokken uit machinaal gevormde roodbruine baksteen. De hoofdtoegangsdeur met stoep en trede is in de noordelijke kopgevel, deze gevel heeft drie vensterassen. In de linkeras een tweedelig venster met bovenlichten en ramen; in de centrale as een paneeldeur met getoogde bovendorpel en een bovenlicht waarvan de onderdorpel de toogvorm van de deur voegt, in de rechtervensteras een raam met driedeling en bovenlichten, de bovenlichten van dit raam zijn hoger dan die van het venster in de linkeras.

Boven de voordeur, in de afgesneden topgevel, op de verdieping een driedelig raam met bovenlichten.

In de rechterzijgevel aan de Bosstraat 3 vensterassen, links een tweedelig raam, rechts een driedelig raam in het uitgebouwd gedeelte, centraal een deurpartij als in de voorgevel, boven de deur een afdak gevormd door een doorgetrokken deel van het dakschild.

Nabij het maaiveld een kelderkoekoek, die later afgedekt is met metalen platen.

De ruim overstekende dakrand met geprofileerde goot wordt ondersteund door schoorvormige, houten dragers. De goot/overstekconstructie is aan alle zijden van het huis toegepast, ook bij de topgevels met wolfseind.

De gevel aan de zijde van het spooremplacement heeft twee vensterassen, raamvorm en indeling als bij de vensterassen aan de straatgevel. Bij deze gevel in het schilddak een dakkapel met een driedelig raam onder een met pannen gedekt lessenaardak, op de nokeinden een piron. Op het dak een drietal schoorstenen, de schoorsteen op de nok is afgewerkt met uitgemetselde randen.

Alle vensters hebben natuurstenen lekdorpels, aan de bovenzijde gemetselde lateien.

Nabij het maaiveld, rondom, een plint van natuurstenen platen, de platen zijn aan de bovenzijde afgeschuind, in de plint diverse ventilatie-openingen.

Redengevende omschrijvingen bij het stationscomplex

* Spoorwegcomplex

* Het spoorwegcomplex is een goed en gaaf voorbeeld van een omvangrijk bedrijfscomplex met samenhangende functies, het is van grote waarde zowel om architectonische, als om architektuur-historische, industrieel archeologische als stedebouwkundige redenen.

* Het spoorwegcomplex is één van de belangrijke werken van spoorwegarchitektuur in Nederland volgens ontwerp van Ir. G.W. van Heukelom.

* Stationscomplex, Stationsplein 1

(1907)

* Het oude stationsgebouw uit 1907 is van architektonisch belang, zowel door stijlkeuze, door vormgeving als door de toegepaste ornamenten. Door de situering is het van grote stedebouwkundige waarde en bepalend voor de latere stadsaanleg.

* Het ontwerp van het stationsgebouw is van belang als voorbeeld uit het werk van de Rijksbouwmeester Ir. D.E.C. Knuttel.

* Stationscomplex, Stationsplein, Stationsgedeelte, Fietsenstalling, Bebouwing Oostelijke pleinwand

(1949)

* Dit stationsgedeelte is van historisch belang als weder-opbouwprojekt na de tweede wereldoorlog.

* Bijzonder is het veelvuldig toepassen van sculptuur, vervaardigd door Uiterwaal als gevelornamenten.

* Perronoverkapping en onderdoorgang, Stationsplein

* De onderdoorgang en de perronoverkappingen zijn van typologisch belang en hebben industrieel-architektonische waarde.

* Locomotievenloods en herstelwerkplaats (Bosstraat)

* De locomotievenloods is van belang vanwege typologische zeldzaamheid, bovendien heeft ze industrieel-archeologische en architektonische waarde.

* Seinhuis op het emplacement

* Het seinhuis (1907) is van belang vanwege de typologische zeldzaamheid, bovendien is het bijzonder uit bouwtechnisch oogpunt en heeft het industrieel-archeologische waarde.

* De seinbrug en de seinpalen zijn typologisch zeldzaam en van industrieel-archeologische waarde.

* Douaneloods (op bedrijfsterrein)

* De voormalige douaneloods is typologisch van belang en vanwege zijn bijzondere situering op het stationscomplex.

* Dienstgebouw (Stationsplein 3d, bij Spoorstraat)

* Het dienstgebouw is van belang als onderdeel van het complex.

* Dienstwoningen, Stationsplein 4 en 5, nabij de Spoorstraat

* Belangrijk vanwege de gave vormgeving van kleine onderdelen in een grootschalig complex.

* Dienstwoning, Bosstraat 28

* Belangrijk vanwege de gave vormgeving van kleine onderdelen in een grootschalig complex.

Kadastrale aanduiding en bijbehorende kadastrale tenaamstelling

Kad. gemeente : Roosendaal en Nispen

sectie : A

nr. : 4075

Soort recht : volle eigendom

Gerechtigde : N.V. Nederlandse Spoorwegen

Adres : Moreelsepark 1

Woonplaats : Utrecht

Opname gegevens : 3 februari 1992/16 juni 1993

  • TERUG